Stel je even iets voor.
Je bent mobiel begaafd. Geen wieltjes. Je loopt op eigen kracht. Je hebt benen die doen wat ze moeten doen. Maar dat is tegenwoordig eerder een zeldzaamheid.
Je leeft in een wereld waar bijna iedereen rolstoelgebruiker is. De samenleving is daarop gebouwd. Alles is voorzien op het gebruik van wieltjes. Logisch ook – dat is de norm.
Op een dag ga je naar het station. Je wilt de trein nemen naar je werk.Of naar een training.Of gewoon naar Brussel, omdat daar toevallig een zonnig terras op je wacht.
Als je op het perron aankomt is alles glad, vlak, uitnodigend – voor wie zit. Geen trappen, geen leuningen, geen naden in het beton.
De trein komt eraan.
Je staat klaar.De deuren blijven dicht.Geen knopje. Geen belletje.
Je kijkt rond. Niemand lijkt het vreemd te vinden.Een paar mensen in een rolstoel zoeven vlotjes binnen, door deuren die automatisch opengaan wanneer ze naderen.Jij blijft staan. Je probeert het even uit te leggen.
“Sorry, ik ben stappend beperkt.”
Ze knikken begrijpend, maar er is nu eenmaal geen voorziening voor mensen zoals jij.
Ze zeggen dat je minstens 24 uur op voorhand assistentie had moeten aanvragen.
“Dan komen we misschien helpen.”
Misschien.
Maar liefst niet te vaak.
Want stel je voor dat er nog meer lopende mensen zoals jij komen opdagen.Dan moeten ze voor iedereen iets voorzien.En dat, zo zeggen ze, is geen redelijke vraag.
Dus je blijft daar staan. Op dat mooie gladde perron.
Met je benen. En je gedachten.
En je gevoel dat er iets grondig mis is.
Reactie plaatsen
Reacties